Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 8

Schorsing en ontslag

Onderdeel van Verordening bestuurscommissie "Winkler Prins"

1. De raad kan een lid van de commissie dat naar zijn oordeel in ernstige mate door handelen of nalaten afbreuk doet aan het functioneren van de commissie, maximaal vier (4) maanden schorsen of ontslaan. 2. De commissie kan op dezelfde gronden en voor dezelfde termijn als vermeld in het voorgaande lid een lid van de commissie schorsen, mits daartoe wordt besloten met een tweederde meerderheid van stemmen. De commissie onderwerpt het besluit onmiddellijk aan het oordeel van de raad, die zo spoedig mogelijk daarop beslist of hij schorsing al dan niet bevestigt. De schorsing geldt dan als door de raad besloten. 3. Wanneer de raad de schorsing als bedoeld in het voorgaande lid bevestigt, wordt de schorsingstermijn geacht ingegaan te zijn op het moment van het besluit van de commissie daartoe. 4. Alvorens de raad een besluit tot ontslag van een lid van de commissie als bedoeld in het eerste lid, wordt het betreffende lid in de gelegenheid gesteld zich voor de gemeentelijke commissie voor bezwaarschriften en klachten te verdedigen, die vervolgens een advies uitbrengt aan de raad. 5. Een op grond van dit artikel ontslagen lid is gedurende 2 jaren, te rekenen vanaf de dagtekening van het raadsbesluit tot ontslag, niet tot lid van de commissie herbenoembaar. 6. De geschorste heeft recht zich bij te laten staan door een door een hem/haar aangewezen raadsman/-vrouw. 7. De raad kan in geval schorsing en vervallen van lidmaatschap van een meerderheid van de leden van de commissie alle maatregelen nemen die zij in het belang van de scholengemeenschap nodig acht.

Rechtspraak bij dit artikel