Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag 2009 (4.14)

Het college verleent langdurigheidstoeslag aan de belanghebbende die voldoet aan artikel 36 van de wet en aan het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel. Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het inkomen niet uitkomt boven 100 procent van de voor hem geldende bijstandsnorm. Geen zicht op inkomensverbetering als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet heeft degene die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid. Inkomen uit of in verband met arbeid dat gedurende de referteperiode in enig jaar is ontvangen, mag niet meer bedragen dan de van toepassing zijnde langdurigheidstoeslag. Geen recht op langdurigheidstoeslag bestaat als de belanghebbende: op de peildatum of in de referteperiode een opleiding volgt of heeft gevolgd als bedoeld in de WTOS of de WSF 2000; in onvoldoende mate heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. Belanghebbenden worden geacht onvoldoende te hebben getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, indien jegens hen gedurende de referteperiode een besluit tot verlaging van de uitkering is genomen wegens schending van de arbeidsplicht. Hoogte van de toeslag

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel