Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 3

Artikel 2.3.3.9

Intrekkingsgronden vergunning

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg 2003 (8e wijziging)

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening, kan het bevoegd bestuursorgaan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien: de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.3.3.4, tweede lid, heeft opgenomen dan wel het aanvullend bedrijfsplan onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden; het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden; in de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in de speelgelegenheid; de openbare orde, de veiligheid, of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld; de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2.3.3.5 gestelde eisen; de exploitant of beheerder de in artikel 2.3.3.7 neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt; de exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel