**1..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met de artikelen 138, 141, 180, 184, 266, 267, 285, 300, 301, 302, 306, 350, 424, 426, en 453 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 26 en 27 Wet wapens en Munitie, artikel 2 en 3 van de Opiumwet, dan wel met de artikelen 2.1.1.1, 2.3.1.7, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10 en 2.7.1 van deze verordening, een verbod opleggen om zich gedurende in dat verbod genoemde tijdvakken te bevinden in een in dat verbod aangewezen gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden.
**2..** Een verbod als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder opgelegd dan na overtreding van een of meer bepalingen als genoemd in het eerste lid voor de derde maal binnen zes maanden, waarbij van deze overtredingen processen-verbaal zijn opgemaakt en waarbij betrokkene bij het opmaken van het proces-verbaal van de tweede overtreding de waarschuwing heeft gekregen dat bij een derde overtreding een gebiedsontzegging wordt opgelegd.
**3..** Het verbod van het eerste lid geldt gedurende de in het besluit van de burgemeester genoemde periode van ten minste 1 weekend en ten hoogste 2 weekenden op de vrijdag, zaterdag en zondag tussen 20.00 uur en 05:00 uur de dag erna, nadat dit aan degene in het belang van de openbare orde naar het oordeel van de burgemeester bij diens besluit is bekendgemaakt.
**4..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit gebod wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen of dat hij zich gedraagt in strijd met het zesde lid van dit artikel, opnieuw een verbod opleggen om zich gedurende in dat verbod genoemde tijdvakken te bevinden in een in dat verbod aangewezen gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden.
**5..** Het verbod van het vierde lid geldt gedurende de in het besluit van de burgemeester genoemde periode van 6 weekenden op de vrijdag, zaterdag en zondag tussen 20.00 uur en 05:00 uur de dag erna, nadat dit aan degene in het belang van de openbare orde naar het oordeel van de burgemeester bij diens besluit is bekendgemaakt.
**6..** De burgemeester beperkt de in het eerste en vierde lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
**7..** Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.”
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1 › Paragraaf 1
Artikel 2.1.1.2
Gebiedsontzeggingen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg 2003 (5e wijziging)