Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk I

Artikel 5

Vergunning/mandaat

Onderdeel van Scheepvaart- en Havenverordening

1.. De verboden genoemd in de artikelen 6, vierde lid, 8, sub 1 en 2, 9, 10, sub 1 t/m 3, 11, 13, 15, 16, 17, 19, eerste lid, 26, sub 1 en 2, en 28, sub 1 van deze verordening gelden niet voor degene die handelt met vergunning van het college van burgemeester en wethouders. 2.. Mondeling kan een ligplaats, uitsluitend bestemd voor het onmiddellijk laden en/of lossen, worden aangewezen. 3.. Het college van burgemeester en wethouders kan aan de vergunning voorschriften verbinden. 4.. Wanneer de in artikel 3 genoemde ambtenaren dit vragen, moet de vergunning door de houder onmiddellijk aan hen worden afgegeven, zodat ze deze kunnen inzien. 5.. Wanneer de vergunning niet na verzoek voor inzage wordt afgegeven, wordt aangenomen dat zonder vergunning is gehandeld. 6.. Het college van burgemeester en wethouders kan de uitvoering van lid 1 opdragen aan de directeur. 7.. De ligplaatsvergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel