Bijzondere vergunningsvoorschriften
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.
Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat de kapvergunning van rechtswege vervalt indien niet binnen 1 jaar na onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt.
Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat van de vergunning feitelijk geen gebruik mag worden gemaakt totdat op een met de kapvergunning samenhangende aanvraag voor een bouwvergunning of enig ander werk positief is beslist;
Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde dat niet tot vellen mag worden overgegaan (feitelijk niet-gebruik) tot het moment dat:
er twee weken zijn verstreken na de bekendmaking van de vergunning en er geen voorlopige voorziening is gevraagd binnen deze twee weken;
beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening dat binnen twee weken na bekendmaking van de vergunning is ingediend;
Het bevoegd gezag kan afwijken van lid 5 indien sprake is van gevaar of spoedeisend belang.
HOOFDSTUK 4 › AFDELING 3
Artikel 4.10F
Artikel 4.10F
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Smallingerland 2010