Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 19

Overgangsrecht

Onderdeel van Woonschepenverordening

1.. Rechthebbende van een woonschip die met een woonschip op een legale ligplaats ligt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, wordt verondersteld in het bezit te zijn van de in artikel 6 vermelde ligplaatsvergunning. 2.. Woonschepen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening een legale ligplaats hebben behoeven aan het bepaalde in artikel 7 onder punt 1.6 niet te voldoen tot het moment dat een vergunning op grond van artikel 13 van deze verordening moet worden aangevraagd. 3.. Voor woonschepen waarvan een of meer maten de in artikel 8 genoemde afmetingen overschrijden en deze overschrijding reeds bestond ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van de Scheepvaart- en Havenverordening, bij raadsbesluit van 26 oktober 1988, nr. 443, en een ligplaatsvergunning hadden, geldt, dat deze overschrijding wordt toegestaan. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Bij vervanging van een woonschip en/of het innemen van een nieuwe ligplaats zal moeten worden voldaan aan de geldende voorschriften. 4.. Voor woonschepen waarvan een of meer maten de in artikel 9 genoemde maximum afmetingen overschrijden, wordt de overschrijding toegestaan, indien deze schepen reeds ligplaats in de Waarderhaven hadden op het moment van het in werking treden van de bij raadsbesluit van 14 december 1977, nr. 350, vastgestelde Verordening op de Waarderhaven. 5.. Woonschepen hoeven niet te voldoen aan artikel 7, lid 1.7 als daartoe een ontheffing lozing oppervlaktewater is verkregen van het Hoogheemraadschap van Rijnland, tot het moment dat redelijkerwijs de mogelijkheid van aansluiting op het openbaar riool wordt geboden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel