De vergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken indien:
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 9 lid 2 niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beschermden gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;
niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt gemaakt.
Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie aan de Monumenten commissie gezonden.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 13
Intrekken van de vergunning
Onderdeel van Monumentenverordening 1999