Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 11

De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende gedragingen

Onderdeel van Verordening inburgering 2007

1. Het college kan de inburgeringsplichtige een bestuurlijke boete opleggen ten bedrage van: Maximaal 10% van de voor de inburgeringsplichtige vastgestelde bijstandsnorm voor de duur van een maand indien de inburgeringsplichtige geen gehoor geeft aan de oproep van het college bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet; Maximaal 40% van de voor de inburgeringsplichtige vastgestelde bijstandsnorm voor de duur van een maand indien de inburgeringsplichtige onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de bij verordening vastgestelde verplichtingen in het kader van deze voorziening, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de wet; Maximaal 40% van de voor de inburgeringsplichtige vastgestelde bijstandsnorm voor de duur van een maand indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald; Maximaal 40% van de voor de inburgeringsplichtige vastgestelde bijstandsnorm voor de duur van twee maanden indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 2. Bij de vaststelling van het boetebedrag voor een inburgeringsplichtige zonder WWB-uit- kering, geldt de netto bijstandsnorm die voor betrokkene geldt of zou gelden als hij belang hebbende in de zin van de WWB zou zijn, zonder nadere vaststelling van de woonomstan digheden. Er wordt in alle gevallen uitgegaan van de norm voor zelfstandig wonenden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel