Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2

Artikel 10

De aanvraag

Onderdeel van Monumentenverordening Leidschendam-Voorburg 2004

1.. De aanvraag van de vergunning als bedoeld in artikel 9, tweede lid, wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester en wethouders. Daarbij moeten de op het aanvraagformulier vermelde bescheiden in vijfvoud worden overhandigd. 2.. Indien de complexiteit van de vergunning dit vereist, kan er om een bouwhistorisch onderzoek worden gevraagd. 3.. Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt ten hoogste vier weken. 4.. Ingeval toepassing is gegeven aan het vierde lid en de aanvrager naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders de in het vierde lid bedoelde gegevens in voldoende mate heeft overlegd, verklaren zij de aanvraag ontvankelijk. 5.. Indien de aanvrager ontvankelijk is in zijn aanvraag, legt het college van burgemeester en wethouders de aanvraag voor eenieder ter inzage. De ter-inzage-legging wordt op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt, waarbij mededeling wordt gedaan van de mogelijkheid om binnen een termijn van twee weken bezwaren in te dienen bij burgemeester en wethouders. 6.. Het college van burgemeester en wethouders brengen de ontvankelijke aanvraag en de daartegen ingebrachte bezwaren terstond ter kennis van de monumentencommissie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel