De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder het college aan de werkgever subsidie verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht (artikel 7, tiende lid, Wsw). Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting.
In het vierde lid wordt een maximum gesteld aan de hoogte van de vergoeding. De gedachte hierachter is dat als de kosten boven dit bedrag uitgaan de aangeboden arbeidsplaats als niet passend moet worden beschouwd. In de praktijk zullen hierbij van geval tot geval kosten en baten tegen elkaar moeten worden afgewogen. Omdat hier sprake is van maatwerk kon in de modelverordening, zelfs is niet bij benadering, worden aangegeven welk maximum zou moeten gelden. Duidelijk is dat hier de criteria van redelijkheid en maatwerk van belang zijn om een verantwoorde en zorgvuldige afweging te maken. De aard van de voorziening kan immers van geval tot geval verschillen en overigens ook gerelateerd zijn aan de aard van de handicap. Bovendien hoeft er niet persé sprake te zijn van aanpassingen van bouwkundige aard. Het kan zelfs gaan om (aangepaste) apparatuur die een Wsw-geïndiceerde kan gebruiken bij een andere werkgever.
Ondanks deze argumenten is in de Lelystadse verordening opgenomen dat kosten hoger dan € 2000 niet voor een vergoeding in aanmerking komen. De arbeidsplaats wordt dan niet als passend beschouwd.
Artikel 7.
Subsidie aanpassing werkplek
Onderdeel van VERORDENING persoonsgebonden budget Wsw Lelystad 2008