Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II › Afdeling I

Artikel 2

Recht op tijdelijke uitkering en tijdstip van ingang

Onderdeel van Uitkeringsverordening raadsleden Zoetermeer 2008

1.. Hij die ophoudt raadslid te zijn heeft, mits hij gedurende ten minste een jaar zonder wezenlijke onderbreking, anders dan door ziekte- of zwangerschapsverlof, als raadslid actief is geweest, recht op een uitkering. Deze gaat in op de dag, waarop het raadslidmaatschap eindigt 2.. De raad beslist of een onderbreking als in het eerste lid bedoeld als wezenlijk moet worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen sprake indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. 3.. Geen recht op een uitkering heeft voorts een ex-raadslid, dat ontzet is uit het kiesrecht bij een onherroepelijk geworden vonnis. 4.. Geen recht op een uitkering heeft een raadslid, dat wethouder wordt in Zoetermeer. 5.. Het ex-raadslid als in het eerste lid bedoeld wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn. 6.. Een tijdelijke uitkering wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt. 7.. Bij overlijden van het raadslid wordt het recht als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, op aanvraag toegekend aan de nabestaande.

Rechtspraak bij dit artikel