Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6

Algemeen bestuur

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling RWA

De colleges wijzen elk uit hun midden een portefeuillehouder als lid en een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een periode gelijk aan de zittingsduur van de leden van de colleges. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats binnen twee maanden na de nieuwe samenstelling van de colleges. De leden van het algemeen bestuur treden tegelijk af op de dag waarop de leden van de colleges aftreden. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. Het aanwijzen ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of om andere reden openvallen, vindt zo spoedig mogelijk plaats, doch uiterlijk binnen twee maanden na het openvallen. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede het college dat hen heeft aangewezen, op de hoogte. Het lidmaatschap van elk lid van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het betreffende lid ophoudt wethouder te zijn van de desbetreffende deelnemende gemeente. Het college dat een lid in het algemeen bestuur heeft aangewezen, heeft de bevoegdheid het betreffende lid te ontslaan, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit.

Rechtspraak bij dit artikel