**1..** Met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ weigert het
college de uitkering blijvend indien de belanghebbende door eigen
toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren
en:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
**2..** De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid is gelijk
aan het door dit gedrag verloren inkomen.
**3..** In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de
uitkering over een periode van 26 weken, indien het eindigen van de
dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden
verweten.
**4..** De hoogte van de maatregel als bedoeld in het derde lid is gelijk
aan 50% van het door dit gedrag verloren inkomen
Hoofdstuk 3
Artikel 11.
Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ