De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet worden betaald bij aanvang van het parkeren, tenzij bij besluit van het college van burgemeester en wethouders anders is bepaald.
De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning of het abonnement wordt verleend.
Een naheffingsaanslag moet worden betaald binnen twee dagen na de dagtekening van de naheffingsaanslag of vijf weken na de dagtekening van de acceptgiro.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het inwerking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt.
Bevoegdheid tot het aanwijzen van parkeerplaatsen.
Hoofdstuk
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2009