Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1,
onder a, sub 2 of in een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in
artikel 1, onder l, de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld te
verstoren.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:
het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
Archeologisch Waardevol (Verwachtings)gebied als aangegeven op
de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die
verstoring plaatsvindt op het terrein aangemerkt als:
AWV categorie 3 (gebieden met een zeer hoge
archeologische verwachting), waarbij de oppervlakte van
de ingreep kleiner is dan 50 m², of;
AWV categorie 4 (gebieden met een hoge
archeologische verwachting en een meer dan 50 cm dik
conserverend dek), waarbij de oppervlakte van de ingreep
kleiner is dan 100 m² (vanwege het conserverende dek is
verstoring tot 40 cm minus maaiveld toegestaan), of;
AWV categorie 5 (gebieden met een hoge
archeologische verwachting en een minder dan 50 cm dik
conserverend dek), waarbij de oppervlakte van de ingreep
kleiner is dan 100 m², of;
AWV categorie 6 (gebieden met een
middelmatige archeologische verwachting), waarbij de
oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m², of;
AWV categorie 7 (gebieden met een lage
archeologische verwachting), waarbij de oppervlakte van
de ingreep kleiner is dan 2500 m²;
in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent
archeologische monumentenzorg;
sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste
en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
monumentenzorg;
het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering
van werkzaamheden, zoals middels het aanlegvergunningstelsel in
bestemmingsplannen, die leiden tot een verstoring als bedoeld in
het eerste lid;
een rapport is overlegd, waarin de archeologische waarde van het
te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in
voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende
mate kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet
onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
zijn.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 20.
Instandhoudingbepaling
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Winterswijk 2010