Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 6.

Artikel 20.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Winterswijk 2010

Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of in een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder l, de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld te verstoren. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: het een verstoring betreft van een archeologisch monument of Archeologisch Waardevol (Verwachtings)gebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt op het terrein aangemerkt als: AWV categorie 3 (gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 50 m², of; AWV categorie 4 (gebieden met een hoge archeologische verwachting en een meer dan 50 cm dik conserverend dek), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m² (vanwege het conserverende dek is verstoring tot 40 cm minus maaiveld toegestaan), of; AWV categorie 5 (gebieden met een hoge archeologische verwachting en een minder dan 50 cm dik conserverend dek), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m², of; AWV categorie 6 (gebieden met een middelmatige archeologische verwachting), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 100 m², of; AWV categorie 7 (gebieden met een lage archeologische verwachting), waarbij de oppervlakte van de ingreep kleiner is dan 2500 m²; in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden, zoals middels het aanlegvergunningstelsel in bestemmingsplannen, die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste lid; een rapport is overlegd, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel