Naar hoofdinhoud
De onder artikel 3 bedoelde storting van percentagegelden omvat: Voor gemeentelijke gebouwen en scholen voor het speciaal- en openbaar basisonderwijs. Bij nieuwbouw: 2% van de werkelijke kosten bij stichtingskosten tot € 45.378,02; 1,5% van de werkelijke kosten bij stichtingskosten van € 45.378,02 tot € 453.780,22; 1% van de werkelijke kosten bij stichtingskosten van € 453.780,22 of meer. Bij verbouw of modernisering: 1,5% wanneer de werkelijke kosten een bedrag van € 45.378,02 tot € 453.780,22 belopen; 1% wanneer de werkelijke kosten een bedrag van € 453.780,22 of meer belopen. Voor niet-gemeentelijke gebouwen, waarin door de gemeente in de stichtingskosten wordt geparticipeerd: 1,5% van het gemeentelijk aandeel in de werkelijke kosten van € 45.378,02 tot € 453.780,22; 1% van het gemeentelijk aandeel in de werkelijke kosten bij stichtingskosten van € 453.780,22 of meer. Voor stratenplannen, 1% van de werkelijke bouwkosten. Voor nieuwe verkeerswegen, niet zijnde opgenomen in stratenplannen en met uitzondering van verkeersinstallaties, 1% van de werkelijke kosten die meer bedragen dan € 453.780,22. Voor groenvoorzieningen: 1,5% van de werkelijke kosten indien deze meer bedragen dan € 226.890,11 en minder dan € 453.780,22; 1% van de werkel ijke kosten indien deze meer bedragen dan € 453.780,22, met een minimum van € 5.445,36. Voor bruggen, viaducten, tunnels, waterzuiveringsinstallaties en soortgelijke werken, 1% van de werkelijke kosten. 1,5% Van de werkeiijke investeringskosten volgens de investeringslijst exclusief de onder vorenstaande punten genoemde bijdragen en exclusief investeringen in rioolwerken en woningwetwoningen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel