Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 5.

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2009

1.. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is; d. voertuigen, met inbegrip van kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine voertuigen; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; f. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; g. terrassen als bedoeld in artikel 2:27; h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; i. uitstallingen die niet strijdig zijn met de “Beleidsregel Uitstallingen Gemeente Bergen”, als vastgesteld door het college op 30 juni 2009 alsmede de nadere regels als bedoeld in het zesde lid. 3.. Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voorzover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 4.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken. 5.. a. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. b. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken . c. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 6.. a. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod als gesteld in het eerste lid niet geldt. b. Het college kan nadere regels stellen voor een veilig en doelmatig gebruik van de openbare ruimte ten behoeve van de in sub a bedoelde categorieën. c. Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar het plaatsen van de onder sub a. bedoelde voorwerpen niet of slechts beperkt is toegestaan. d. Het is verboden een voorwerp als bedoeld onder sub a. op de weg te plaatsen als in strijd wordt gehandeld met de onder sub b. bedoelde nadere regels of met een aanwijzing als bedoeld onder sub c.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel