Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.2

Het recht op een woonvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2007

1.. Een aanvrager kan voor een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1, eerste lid in aanmerking worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren. 2.. Een aanvrager kan voor een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1, tweede en derde lid in aanmerking worden gebracht, indien de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst-adequate oplossing is (primaat verhuizing). 3.. Een aanvrager kan niet voor een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1, tweede lid in aanmerking worden gebracht, indien de door het college als subsidiabel aangemerkte kosten het bedrag zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning te boven gaan. 4.. In afwijking van het tweede lid kan het college besluiten een aanvrager in aanmerking te brengen voor een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1, tweede en derde lid, indien: de kosten van de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede en derde lid lager zijn dan het bedrag zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning, of er binnen 12 maanden geen passende bestaande woning of binnen 18 maanden geen passende nieuwbouwwoning aangeboden kan worden of een verhuizing aantoonbare meerkosten met zich meebrengt, die de draagkracht van de aanvrager te boven gaan. 5.. Het college verleent slechts een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1, vierde lid, onder a (verwijderen woonvoorziening), indien: de te verwijderen woonvoorziening in het kader van deze verordening, de Verordening voorzieningen gehandicapten 2004 dan wel de voormalige Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is verstrekt; de woning langer dan 7 maanden leeg staat en er over maximaal 6 maanden een financiële tegemoetkoming in verband met derving huurinkomsten zoals bedoeld in artikel 4.8, achtste lid is verleend en er geen geschikte huurder is gevonden; en het niet verwijderen van bedoelde woonvoorziening onredelijk nadeel voor de verhuurder tot gevolg zou hebben. 6.. Een aanvrager kan voor een voorziening zoals genoemd in artikel 4.1, vierde lid onder b (uitraasruimte) in aanmerking worden gebracht, indien sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. 7.. Het college verleent slechts een woonvoorziening voor de kosten van keuring, onderhoud en reparatie van een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1, tweede lid, indien de woonvoorziening is verleend in het kader van deze verordening, de Verordening voorzieningen gehandicapten 2004 dan wel de voormalige Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten en indien deze woonvoorziening voorkomt op de in bijlage I van het Besluit maatschappelijke ondersteuning genoemde lijst van voorzieningen, mits de aanvrager ten tijde van de keuring, het onderhoud of de reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont. 8.. Een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.1 wordt geweigerd, indien: de noodzaak tot het treffen van de betreffende woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en waarvoor ook geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college. de aanvraag het gevolg is van het ontbreken van een verzekering of onderverzekering van een woonvoorziening waarvoor de aanvrager zich voldoende verzekerd dient te hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel