1. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:
a. op verzoek van de vergunninghouder;
b. wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;
c. wanneer zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van een vergunning;
d. wanneer voor de betreffende sector het stelsel van vergunningen komt te vervallen;
e. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
f. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt.
AFDELING III VERBODSBEPALINGEN
Artikel 6