Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Intrekkingsregeling bij uitblijven aanvang bouw

Onderdeel van Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

Op grond van artikel 2.33, lid 2 onder a van de Wabo is het college bevoegd om een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning een begin is gemaakt met het bouwen. Alleen als er urgente en zwaarwegende planologische belangen zijn wordt van deze bevoegdheid na 26 weken actief gebruik gemaakt. Doen zich geen urgente en zwaarwegende planologische belangen voor dan wordt na 3 jaren na het onherroepelijk worden van de verleende vergunning gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Er zijn ‘urgente en zwaarwegende planologische belangen’ als voor het gebied waarbinnen het vergunde object is gesitueerd een bestemmingsplan in voorbereiding is en / of het vergunde object toekomstige planologisch ontwikkelingen frustreert. Hierbij moet ten minste sprake zijn van het nemen van een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 3.7 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) of van een ontwerpbestemmingsplan dat op grond van artikel 3.8 van de Wro ter inzage is gelegd en is gepubliceerd. Indien niet tijdig met de uitvoering van het werk is begonnen wordt aan de vergunninghouder een voornemen van het intrekken van de omgevingsvergunning bekend gemaakt volgens artikel 5 van deze beleidsregels. Indien een zienswijze is ingediend wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen met het bouwen een begin moet zijn gemaakt. De termijn bedoeld in het vijfde lid wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald. De verlenging bedraagt maximaal 1 jaar nadat is gereageerd op de zienswijze.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel