Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Parkeerverordening 2017

1. Het is verboden bij een parkeerapparatuurplaats bij een parkeermeter gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: a. een motorvoertuig te parkeren indien de parkeermeter niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; b. een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de parkeermeter aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken; 2. Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats bij een parkeerautomaat gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: a. een motorvoertuig te parkeren indien de parkeerautomaat niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld; b. een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de parkeerautomaat aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken; c. een motorvoertuig te parkeren zonder dat in of op het motorvoertuig een door de parkeerautomaat afgegeven parkeerkaart van buitenaf goed leesbaar aanwezig is en waarvan het op die parkeerkaart afgedrukte tijdstip nog niet is overschreden. 3. Voor zover een motorvoertuig is voorzien van een voorruit, moet de in het derde lid, sub c bedoelde parkeerkaart van buitenaf goed leesbaar achter die voorruit aanwezig zijn. 4. Het in het tweede en derde lid vervatte verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de desbetreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen, het voertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden. 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel