Naar hoofdinhoud
2.1 Bijzondere bijstand Bijzondere bijstand is bedoeld als compensatie voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Vormen van bijzondere bijstand Strikt genomen zijn er twee vormen van bijzondere bijstand. De individuele bijzondere bijstand en de categoriale bijzondere bijstand. Voor verlening van categoriale bijzondere bijstand is het voldoende om vast te stellen dat de belanghebbende tot de doelgroep behoort. Bij verlening van individuele bijzondere bijstand is de individuele situatie van de belanghebbende bepalend. Er dient te worden vastgesteld dat de kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn, dat ze voortvloeien uit individuele bijzondere omstandigheden en dat ze ook daadwerkelijk zijn/worden gemaakt. Met de invoering van de Participatiewet is nog maar één soort categoriale bijzondere bijstand toegestaan. Het betreft de mogelijkheid bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering. De inkomensgrens die in de WWB voor categoriale bijzondere bijstand was opgenomen (maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm) is komen te vervallen. Voor inwoners van Oegstgeest met een beperkt inkomen bestaat de mogelijkheid voor deelname aan een collectieve aanvullende zorgverzekering. Indien zij aan de voorwaarden voldoen, kunnen zij gebruik maken van de Collectieve Zorgverzekering voor Minima (CZM). Zij kunnen dan in aanmerking komen voor een standaard aanvullende verzekering; de AV-Standaard, of een uitgebreide aanvullende verzekering (met verplichte afkoop van het eigen risico) bedoeld voor mensen met hoge zorgkosten; de AV-Top. Naast de individuele en de categoriale bijzondere bijstand kan er nog een tussenvorm van bijzondere bijstand worden onderscheiden: de bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken. Deze vorm van bijzondere bijstand komt tegemoet aan de in de praktijk bestaande behoefte bijstand te kunnen verstrekken aan groepen waarvan het aannemelijk is dat zij meerkosten maken, zonder dat individueel behoeft te worden getoetst op de noodzakelijkheid van die kosten. Een voorbeeld waarbij van deze aanname kan worden uitgegaan is de groep van gezinnen met schoolgaande kinderen. Zij hebben te maken met directe en indirecte schoolkosten en met (extra) kosten van maatschappelijke participatie. In Oegstgeest kunnen daarom de ouders van schoolgaande kinderen, als aan de voorwaarden wordt voldaan, een beroep doen op een jaarlijkse eenmalige tegemoetkoming in het kader van de Participatieregeling. Tevens bestaat voor deze groep de mogelijkheid om eens in een periode van een vastgesteld aantal jaren aanspraak te maken op een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een computer met toebehoren; de regeling PC Project. Daarnaast is er nog een regeling die het mogelijk maakt een bijdrage te verstrekken als tegemoetkoming in de kosten van excursies en werkweken van de schoolgaande kinderen. Als laatste vorm van bijzondere bijstand kan nog genoemd worden een bijdrage in de vorm van een Individuele inkomenstoeslag of een Individuele studietoeslag. De Individuele Inkomenstoeslag is bedoeld voor mensen die langdurig met een laag inkomen moeten rondkomen zonder dat zij uitzicht hebben op verbetering van dat inkomen. De Individuele Studietoeslag is bedoeld om mensen met een arbeidshandicap een steuntje in de rug te geven om (toch) te gaan studeren. Voor beide toeslagen geldt dat men daarvoor pas in aanmerking kan komen als aan in de Participatiewet opgenomen en in de gemeentelijke verordeningen uitgewerkte criteria wordt voldaan. Bij vaststellen van het recht is daarnaast sprake van beoordeling van individuele omstandigheden zodat maatwerk mogelijk is en de toeslag terecht komt bij de mensen die dat echt nodig hebben. Zoals in het begin van deze paragraaf reeds opgemerkt, zijn er strikt (formeel) gezien slechts twee vormen van bijzondere bijstand; de individuele en de categoriale. Omdat er met de invoering van de Participatiewet slechts één soort categoriale bijzondere bijstand is overgebleven (de collectieve aanvullende zorgverzekering) en omdat er vormen van bijzondere bijstand zijn die formeel gezien tot de individuele bijzondere bijstand behoren maar bepaalde aspecten met de categoriale gemeen hebben, of bepaalde kenmerken missen die wel een rol spelen bij de 'gewone' individuele bijzondere bijstand, wordt dit onderscheid in het vervolg van deze nota losgelaten. De indeling van de hoofdstukken volgend op dit hoofdstuk, waarin inhoudelijk (verder) wordt ingegaan op de in deze paragraaf genoemde bijzondere bijstandsregelingen, is gebaseerd op de aard en doelgroepen van die regelingen. Daarbij is de bijzondere bijstand die niet onder de 'gewone' individuele bijzondere bijstand valt, opgenomen in aparte hoofdstukken. Op deze wijze wordt getracht de bruikbaarheid van deze nota te vergroten voor de dagelijkse bijstandsuitvoeringspraktijk. De hoofdstukken zijn: Collectieve aanvullende zorgkostenverzekering Regelingen schoolgaande kinderen Individuele inkomens- en studietoeslag Individuele bijzondere bijstand 2.2 Draagkracht Om te kunnen beoordelen of bijzondere bijstand kan worden toegekend en (indien van toepassing) wat de hoogte daarvan moet zijn, vindt er een draagkrachtrekening plaats. Bij bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen. Dit zijn inkomens- en vermogensbestanddelen die niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de vaststelling van de draagkracht. De wetgever heeft het bij de verstrekking van bijzondere bijstand volledig aan de gemeente overgelaten welke middelen zij in aanmerking wil nemen. In aanmerking te nemen middelen Bij de draagkrachtbepaling zijn de in aanmerking te nemen middelen gelijk aan de middelen genoemd in de artikelen 31 t/m 34 Pw (die geldend zijn bij beoordeling van het recht op algemene bijstand). Dit betekent dat alle in de genoemde artikelen vermelde vrijstellingen van toepassing zijn. De hier genoemde in aanmerking te nemen middelen, zowel betrekking hebbend op inkomen als vermogen, zijn van toepassing bij de draagkrachtbepaling in alle gevallen van bijzondere bijstandsverlening. Dit is alleen anders indien in deze nota bij specifieke soorten bijzondere bijstand expliciet anders is bepaald (zie ook hieronder bij 'Uitzonderingen'). Toepasselijke bijstandsnorm Bij het vaststellen van de draagkracht wordt het in aanmerking te nemen inkomen afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnorm. Onder toepasselijke bijstandsnorm wordt in deze nota verstaan; in geval van: verblijf in inrichting: de op grond van het eerste of derde lid van artikel 23 Pw toepasselijke norm, verhoogd met het toepasselijke bedrag genoemd in artikel 23 lid 2 Pw. verblijf niet in inrichting: de norm die afhankelijk van de leeftijd toepasselijk is op grond van de artikelen 20 t/m 22a en 24 Pw. Indien aan jongeren van 18, 19 of 20 jaar reeds bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Pw wordt verstrekt, wordt onder toepasselijke bijstandsnorm verstaan de betreffende norm genoemd in artikel 21 Pw. Draagkrachtberekening De draagkracht wordt berekend over de in aanmerking te nemen middelen met inachtneming van de toepasselijke bijstandsnorm. De draagkracht bedraagt: 0% van het in aanmerking te nemen inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, plus; 20% van de eerste € 400,-- van het in aanmerking te nemen inkomen boven de 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, plus; 100% van het meerdere in aanmerking te nemen inkomen, plus; 100% van het in aanmerking te nemen vermogen. De draagkrachtberekening wijkt alleen af van de hierboven weergegeven methode indien dit in deze nota bij specifieke soorten bijzondere bijstand expliciet is vermeld (zie ook hieronder bij 'Uitzonderingen') Bij zelfstandigen wordt bij bepaling van de draagkracht in het inkomen uitgegaan van het laatst door de Belastingdienst vastgesteld fiscaal jaar. Uitzonderingen Bij de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand dient voor het bepalen van de draagkracht te worden uitgegaan van de in aanmerking te nemen middelen en de wijze van draagkrachtberekening zoals die hiervoor in deze paragraaf zijn opgenomen. Hierop is één algemene uitzondering: Indien een wettelijk (WSNP) of een minnelijk (3-jarig) schuldsaneringstraject wordt doorlopen, wordt de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen gelijk gesteld aan de toepasselijke bijstandsnorm. Dit geldt voor alle soorten bijzondere bijstand met uitzondering van de Collectieve aanvullende zorgverzekering en de Individuele inkomens- en studietoeslag. Daarnaast dient alleen van de in deze paragraaf opgenomen methode van vaststelling van draagkracht te worden afgeweken indien dit in deze nota bij een specifieke soort bijzondere bijstand expliciet wordt vermeld. De afwijkingen die in deze nota voorkomen kunnen zowel betrekking hebben op de in aanmerking te nemen middelen als op de draagkrachtberekening, als op beiden. Bij de volgende soorten bijzondere bijstand is sprake van specifieke uitzonderingen op bepaling van de draagkracht: Collectieve aanvullende zorgverzekering Participatie schoolgaande kinderen PC project schoolgaande kinderen Excursies en werkweken schoolgaande kinderen in voortgezet onderwijs Individuele inkomenstoeslag Individuele studietoeslag Woonkostentoeslag (zowel voor huurders als voor eigenaren) Vaste lasten woning gedetineerde Budgetbeheer (indien het beheer in het kader van schuldhulpverlening noodzakelijk is en de afloscapaciteit niet groter is dan een vastgesteld bedrag) Overbruggingskosten Zie voor de hierboven genoemde uitzonderingen de hoofdstukken/paragrafen waarin de betreffende onderwerpen zijn opgenomen. Draagkrachtperiode De draagkrachtperiode wordt vastgesteld over de periode vanaf de maand van aanvraag plus 11 (totaal 12) maanden. Als deze vaststelling in een bepaald geval niet werkbaar is, wordt een andere periode vastgesteld. Wanneer een aanvraag bijzondere bijstand betrekking heeft op een periodieke voorziening die korter duurt dan 12 maanden, dan wordt de draagkrachtperiode overeenkomstig die duur vastgesteld. 2.3 Drempelbedrag Voordat er sprake kan zijn van het verlenen van bijzondere bijstand moeten de kosten waarvoor de bijstand wordt aangevraagd meer bedragen dan het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 Pw. Het drempelbedrag is vastgesteld op € 50,--. Het drempelbedrag geldt voor een periode van 12 maanden die start op het moment dat (de eerste) kosten zijn gemaakt. Dit betekent dat aanvragen bijzondere bijstand in beginsel niet in behandeling worden genomen zolang de (verzamelde) kosten binnen de genoemde periode lager zijn dan € 50,--. Zij blijven dan voor rekening van belanghebbende. 2.4 Schuldhulpverlening Schuldhulpverlening is niet geregeld in de Participatiewet en kan hooguit worden gezien als een vorm van indirecte inkomensondersteuning. Omdat het wel van invloed kan zijn op de voorwaarden en draagkrachtbepaling bij bijzondere bijstandsverlening, wordt het hier toch kort genoemd. Op 1 juli 2012 is de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening van kracht geworden. De gemeente heeft daardoor expliciet de verantwoordelijkheid gekregen om schuldhulpverlening uit te voeren. De wijze waarop dit in Oegstgeest wordt vormgegeven, wordt beschreven in de Beleidsregels Schuldhulpverlening Gemeente Oegstgeest. Er bestaat geen inkomensgrens om gebruik te kunnen maken van schuldhulpverlening. Het schuldhulpverleningsaanbod bestaat uit activiteiten als schuldsanering, schuldbemiddeling en toeleiding naar de WSNP. In de Beleidsregels Schuldhulpverlening wordt ingegaan op de voorwaarden voor deelname en worden de schuldhulpverleningsactiviteiten beschreven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel