Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten:
vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen;
leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen;
bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) tenminste 0,20 m.;
bij sleufloze technieken is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt tenminste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen;
watergangen, die beheerd worden door de gemeente, dienen op tenminste 1,00 m onder de vaste bodem te worden gekruist. Kabels, die een watergang kruisen, dienen te worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien.