Lid 1.
Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties (A) en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering (B). Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksperiode, als bedoeld in het vierde lid, ten hoogste:
SOORT VOORZIENING
Totaal
(A+B)
Aanschaf
(A)
Verzekering en
onderhoud voor
hele periode (B)
duwwandelwagen voor continu
gebruik
€ 3.450,00
€ 2.950,00
€ 500,00
handbewogen rolstoel voor
incidenteel/kortdurend gebruik
€ 525,00
€ 400,00
€ 125,00
handbewogen rolstoel voor (semi-)permanent/algemeen gebruik
€ 1.375,00
€ 1.125,00
€ 250,00
handbewogen rolstoel voor
actief gebruik
€ 2.600,00
€ 2.100,00
€ 500,00
elektrische rolstoel voor
(semi-)permanent gebruik, primair binnen, maar ook om het huis
€ 9.000,00
€ 6.600,00
€ 2.400,00
elektrische rolstoel voor
(semi-)permanent gebruik, primair buiten, maar ook binnenshuis
€10.250,00
€ 7.900,00
€ 2.350,00
scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (8 km/uur)
€ 3.300,00
€ 2.350,00
€ 950,00
scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (10 km/uur)
€ 3.800,00
€ 2.700,00
€ 1.100,00
scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (15 km/uur)
€ 4.950,00
€ 3.600,00
€ 1.350,00
Lid 2.
Indien de inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag (A+B), gedeeld door het aantal gebruiksjaren (voor een hulpmiddel 7).
Lid 3.
De restwaarde van het hulpmiddel wordt als volgt bepaald:
Bij verhuizing of overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening
Restwaarde als percentage van het verstrekte aanschafgedeelte van het persoonsgebonden budget
Eerste jaar
100%
Tweede jaar
85%
Derde jaar
70%
Vierde jaar
55%
Vijfde jaar
40%
Zesde jaar
25%
Zevende jaar
10%
Artikel 5.