1. Deze beleidsregel wordt aangehaald als de “Beleidsregel algemene bijstand gemeente Heerlen 2017”.
2. Deze beleidsregel treedt in werking per 1 januari 2017 onder intrekking van de “beleidsregel algemene bijstand gemeente Heerlen 2015, eerste wijziging” én de “beleidsregel verlagingen en verhogingen participatiewet gemeente Heerlen 2016”.
Aldus besloten tijdens de vergadering van het college van burgemeester en wethouders der gemeente Heerlen van 20 december 2016.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2 Lid 1
Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde
woonschepen). Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen
(woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen).
Lid sub a
De waarde van het vermogen in de woning wordt bepaald door de waarde bij
vrije oplevering te verminderen met de op de woning drukkende schulden.
De kosten van het vestigen van de krediethypotheek of het pandrecht
worden opgenomen in de akte van de krediethypotheek/pandrecht.
Artikel 5
Bij belanghebbenden die verzekerd zijn voor uitvaartkosten in natura is het in de regel niet mogelijk de uitvaartpolis voor de datum van overlijden te gelde te maken. Daar belanghebbende redelijkerwijs niet over het in de polis opgebouwde vermogen kan beschikken, kan het verzekerde bedrag niet in de vermogensvaststelling worden meegenomen. Het komt echter ook voor dat belanghebbenden verzekerd zijn voor een uitvaart, waarbij de verzekering na de datum van overlijden in contanten uitkeert. Het zou inconsequent zijn om in dit geval het gespaarde bedrag (geheel), althans de afkoopwaarde van de verzekering, in de vermogensvaststelling mee te nemen. Derhalve maakt het college van haar bevoegdheid gebruik om de waarde van de verzekering, onder de in artikel 5 genoemde voorwaarden, niet tot het vermogen te rekenen. Een en ander dient met bewijsstukken te worden onderbouwd.
Er is gekozen om geen maximum aan de vrijstelling van het totaalbedrag van de afkoopwaarde of verzekeringswaarde van een uitvaartverzekering, vast te stellen. De groep belanghebbenden die een uitvaartverzekering hebben die niet in natura, maar in contanten uitkeert en deze ook tussentijds kunnen afkopen (tegen ongunstige tarieven), is erg klein. Daarnaast zijn uitverzekeringen zeer onwaarschijnlijk afgesloten met de intentie deze af te kopen, willen we dit ook niet stimuleren en de keuzevrijheid om al dan niet een begrafenis- of uitvaartverzekering te hebben ook vrij laten.
Artikel 6 Lid 2 sub a
Per geval moet worden beoordeeld en gemotiveerd of het buiten
beschouwing laten van de auto ouder dan 7 jaar redelijk is. Bij de
beoordeling moet gelet worden op de waarde/exclusiviteit van de auto.
Artikel 7
Door een andere insteek van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) zijn er mensen die in de WWB aanmerkt werden als alleenstaande ouder en volgens de AWIR toch een ‘toeslagpartner’ hebben. Met ingang van 1 januari 2015 verliezen zij een deel van hun uitkering en krijgen, vanwege de toeslagpartner, de alo-kop niet van de Belastingdienst. Het gaat om bijstandsontvangers met een inwonend kind van 27 of ouder, met een inwonende eigen ouder, die zijn verlaten door hun partner, met een gedetineerde partner, een echtgenoot die naar het buitenland is vertrokken of met een partner in een inrichting. Om de Inkomensachteruitgang voor deze groep te compenseren wordt een toeslag verstrekt van 20% van de norm.
Artikel 8
Het kabinet heeft besloten om de invoering van de kostendelersnorm in de AOW uit te stellen naar 2019. Ouderen met een onvolledige AOW kunnen echter wel met de kostendelersnorm te maken krijgen als ze een beroep moeten doen op de Aanvullende Inkomensvoorziening voor Ouderen (Aio). De Aio is een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, waarmee de onvolledige AOW wordt aangevuld tot aan het bijstandsniveau voor ouderen. In de Participatiewet is de kostendelersnorm wel ingevoerd.
Wij zijn van mening dat alle ouderen recht hebben op hetzelfde minimum inkomen. Als een oudere door toepassing van de kostendelersnorm op de Aio beneden de bijstandsgrens zakt, vullen wij dat daarom aan tot bijstandsniveau.
Artikel 9
In het geval van het ontbreken van woonkosten of het hebben van woonkosten die lager zijn dan de minimale rekenhuur die gehanteerd wordt door de Belastingdienst, en de kostendelersnorm niet van toepassing is, kiezen we voor het verlagen van de algemene bijstand
De motivatie hiervan ligt in het feit dat een bepaald bedrag van de algemene bijstand is bedoeld voor woonkosten. Wanneer deze kosten (deels) ontbreken, ligt het voor de hand de bijstandsnorm dienovereenkomstig te verlagen (artikel 27 Pw).
Artikel 10
Op grond van artikel 33, vierde lid, van de wet moet als bijzonder inkomen
worden aangemerkt de lagere algemene noodzakelijke kosten als
belanghebbende de woning bewoont met een of meerdere huurders,
onderhuurders of kostgangers als daarmee nog geen rekening is gehouden
bij het vaststellen van de kostendelersnorm (artikel 22a, eerste tot en met
derde lid van de wet). Dit betekent dat het college de werkelijk genoten
inkomsten niet meer volledig op basis van dat artikel kan korten indien met
deze inkomsten al rekening is gehouden in het kader van de
kostendelersnorm.
Artikel 33, vierde lid, wet creëert de mogelijk om, indien de werkelijke
inkomsten hoger zijn dan het bedrag waarmee rekening wordt gehouden bij
toepassing van de kostendelersnorm, het meerdere te korten.
Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huur, blijven voor de
kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is sprake van
deelname aan het economisch verkeer, waarbij de verhuurder een
commerciële prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde
diensten en de huurder deze commerciële prijs betaalt. In deze situaties is
het uitgangspunt dat de kosten niet op dezelfde wijze worden gedeeld als
met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie met elkaar hebben.
Recofa-richtlijnen
Lid 1
Om tot een uniforme richtlijn te komen ten aanzien van het verlagen van de
uitkering op grond van artikel 33, vierde lid, van de wet, is gekozen voor de
bepalingen ten aanzien van woonlasten uit de zogenaamde Recofa richtlijnen.
Genoemde richtlijnen zijn ontwikkeld en worden onderhouden door de werkgroep rekenmethode ‘Vrij te laten bedrag’ van Recofa. Recofa is de werkgroep rechters-commissarissen in insolventies (faillissementen en
surseances van betaling).
Onder hoofdstuk 4.9 van deze richtlijn staat het bedrag dat de
belanghebbende, na aftrek van een forfaitair bedrag voor kost- en/of
inwoning, daadwerkelijk als bijdrage in de woonlasten van de inwoner(s)
ontvangt in verband met meerderjarige inwoners. Het forfaitaire bedrag kan
indien er alleen sprake is van inwoning, worden gesteld op € 1,93 per dag
voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke. Omwille van de
werkbaarheid is het forfaitaire bedrag omgerekend naar een maandbedrag
van € 1,93 x 365 : 12 = € 58,70 en vervolgens afgerond op € 60,00. Met
andere woorden: al het meerdere van € 60,00 aan inkomsten uit verhuur
moet op de bijstand van belanghebbende in mindering worden gebracht.
Voorbeeld:
Bij inkomsten uit verhuur van € 300,00 per maand moet een bedrag van
€ 300,00 - € 60,00 (forfaitaire bedrag) = € 240,00 per maand op de bijstand
van belanghebbende in mindering worden gebracht.
Lid 2
Bewijslast
De prijs die belanghebbende vraagt voor de verhuur van de woning moet een
commercieel gangbare prijs zijn, dus geen vriendenprijs.
Wat belanghebbende vraagt moet in verhouding staan tot de geleverde
diensten. Het overeengekomen bedrag wordt werkelijk betaald, en
belanghebbende moet dit ook aantonen met bijvoorbeeld bankafschriften
(artikel 17 lid 1 wet). Het is gangbaar dat de prijs regelmatig wordt
aangepast, bijvoorbeeld eens per jaar.
Belanghebbende toont een commerciële relatie aan met de volgende
bewijsstukken:
- een huurovereenkomst;
- bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de gevraagde prijs werkelijk
wordt betaald;
- de aangifte inkomstenbelasting (alleen als belanghebbende de inkomsten
moet opgeven).
Als belanghebbende genoemde bewijslast niet kan overleggen, kan het recht
op bijstand niet (meer) worden vastgesteld.
Om te voorkomen dat er willekeurige en zeer summiere huurovereenkomsten
(‘kladjes’) worden overgelegd, is een aantal criteria gesteld waaraan een
huurovereenkomst moet voldoen. Hierbij hebben we de door het ministerie
van VWS aan een huurovereenkomst gestelde criteria als basis genomen. De
huurovereenkomst moet tenminste voldoen aan de in lid 2, onderdeel c,
genoemde voorwaarden.
Lid 3
De Recofa-richtlijnen worden jaarlijks aangepast. Deze aanpassingen hebben
gevolgen voor het forfaitaire
bedrag waardoor deze jaarlijks zal worden herzien. De afronding vindt plaats op € 5,00 naar boven.
HOOFDSTUK 2
Artikel 11