Naar hoofdinhoud
1.. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet, indien: de grond die de rechthebbende wil beplanten niet gelegen is in de provincies Groningen, Drenthe of Friesland; de grond die de rechthebbende wil beplanten van mindere kwaliteit is dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; de grond die de rechthebbende wil beplanten een kleinere oppervlakte heeft dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; de gevelde houtopstand deel uitmaakte van een boskern; andere belangen, die verband houden met de bodemproductie of de bosbodem zoals die aanwezig is ter plaatse van de velling, hierdoor zouden worden geschaad; de grond die de rechthebbende wil beplanten niet vrij is van compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving of die voortvloeien uit ontheffingen voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet; de grond die de rechthebbende wil beplanten niet vrij is van herbeplantingplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of, de herbeplanting op andere grond afbreuk doet aan beschermde natuurwaarden of bijzondere landschappelijke waarden. 2.. Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet geschiedt op bosbouwkundig verantwoorde wijze als bedoeld in artikel 7.4. 3.. Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan de bij herbeplanting te gebruiken soorten, de wijze van beplanting, de locatie en oppervlakte van de herbeplanting. 4.. Gedeputeerde Staten kunnen in de gevallen genoemd in het eerste lid, onder a, b, c, d, e en h, op grond van bijzondere omstandigheden alsnog ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel