Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening parkeerbelastingen 2017

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de parkeervergunning wordt verleend. In afwijking van het derde lid geldt dat, zolang de verschuldigde belasting door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, de belasting moet worden betaald in één termijn, welke vervalt in januari van het belastingjaar. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel