Naar hoofdinhoud
De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de wet, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van de wet, alsmede het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de wet, gelden niet ten aanzien van amfibieën indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel