Dit hoofdstuk is van toepassing op het grondgebied van de provincie Utrecht, voor zover dit zich bevindt:
buiten een rode contour;
dan wel een bebouwde kom op het moment van vaststelling van de verordening, die buiten een rode contour gelegen is zoals aangegeven op de kaart in bijlage III.
Voor de toepassing van het voorgaande lid worden drijvende voorwerpen, vaartuigen en woonschepen binnen de provincie, waarvan de aanlegplaats of de afmeervoorziening zich geheel of gedeeltelijk bevindt op of aan een oever binnen de aangegeven grens, geacht zich binnen die grens te bevinden. Als de oever met de aanlegplaats of afmeervoorziening zich buiten de aangegeven grens bevindt, wordt ook het drijvende voorwerp, het vaartuig, dan wel het woonschip geacht zich buiten die grens te bevinden.
Deze verordening is niet van toepassing op drijvende voorwerpen, vaartuigen en woonschepen, die zich geheel buiten de provinciegrens bevinden, ook niet als de bijbehorende aanlegplaats of afmeervoorziening geheel of gedeeltelijk binnen de provinciegrens ligt. In dat laatste geval is de verordening wel van toepassing op de aanlegplaats of afmeervoorzieningen.
Artikel 5.1.3 Beleidsplan en waardenkaarten
Provinciale Staten stellen ter bescherming van de kwaliteit van het landschap en de natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in de provincie een of meer beleidsplannen op het gebied van natuur en landschap vast. Tenminste eenmaal in de vier jaar besluiten Provinciale Staten of een plan, of de plannen, worden herzien. Op de voorbereiding van het plan en wijzigingen daarvan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Met betrekking tot de paragrafen 5.3 en 5.5 van deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten bij wijze van beleidsregel, of als onderdeel daarvan, waardenkaarten vaststellen en wijzigen.
HOOFDSTUK 5 › Paragraaf 5.1
Artikel 5.1.2