De verboden gesteld in artikel 5.3.1 gelden niet voor:
Het storten, dempen, ophogen en egaliseren ten behoeve van de uitvoering of het onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang, mits de handelingen:
plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek, of
zijn aangewezen in een bestemmingsplan, en
niet langer duren dan voor de uitvoering of het onderhoud noodzakelijk is.
Het storten, dempen, ophogen of egaliseren op een in het bestemmingsplan aangewezen bouwperceel ten behoeve van onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden, voor zo lang als deze handelingen duren en de vrijgestelde activiteiten noodzakelijk zijn.
Stortplaatsen, die als zodanig zijn aangewezen in een bestemmingsplan, of zich bevinden in gebouwen in de zin van de Woningwet.
Het storten, ophogen en dempen in agrarische weide- en akkerpercelen, ten behoeve van rijpaden door die percelen. Daarnaast mag de onderlinge verbinding tussen deze percelen door middel van dammen met duikers ingericht worden, mits deze verbinding maximaal 5m breed is, gemeten in de lengterichting van het afgedamde water tussen de aansluitingen van de dam op de oorspronkelijke oever.
Een stortplaats of rommelterrein op, of onmiddellijk grenzend aan een agrarisch bouwperceel, voor zover aantoonbaar noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering, mits
het te storten of opgeslagen materiaal voortkomt uit het eigen agrarische productieproces, of
bestemd is voor de verwerking in dat productieproces, en
voor zover het materieel in dat proces benodigd is, waarbij
rijkuilen, sleufsilo’s en hooi-/kuilgrasbalen moeten zijn afgedekt met, of gewikkeld in, plasticfolie.
er niet meer dan één hoop grond van maximaal 50 m3 op het terrein ligt.
Het storten, ophogen, dempen en egaliseren op basis van een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden op het perceel, waarop de vergunning betrekking heeft.
Het storten van, ophogen met, en egaliseren van baggerspecie, vrijkomend uit normaal onderhoud van watergangen, mits:
de baggerspecie gelijkmatig over de oever van een naast de watergang gelegen perceel wordt verspreid, waarbij aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen in stand worden gelaten;
losse plantenresten boven aan het talud van de watergang worden neergelegd;
het oorspronkelijke maaiveld met niet meer dan 10 cm wordt verhoogd, en
de baggerspecie niet wordt gestort op slootkanten, die in agrarisch natuurbeheer zijn.
Het storten van grond, heideplagsel en bosstrooisel ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen buiten het Natuurnetwerk Nederland en de groene contour, mits:
de werkzaamheden tenminste 2 weken voor aanvang worden gemeld bij Gedeputeerde Staten door middel van een (digitaal) beschikbaar gesteld meldingsformulier en na aanvang binnen vier weken zijn afgerond, waarbij
grond gestort wordt volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen, en
bij het verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten, en tevens
de opgehoogde percelen na inklinking van de opgebrachte laag niet meer dan 10 cm hoger liggen ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen.
Het storten van bagger in een baggerdepot gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland en de groene contour, mits:
het depot niet is, of wordt aangelegd op een locatie, die in de kwaliteitsgidsen landschap van de provincie Utrecht als open of extreem open is aangeduid;
het depot voor inklinken maximaal 1,50 m hoog is ten opzichte van het laagste naastgelegen maaiveld;
na inklinken de bagger en de om het depot opgeworpen kaden gelijkmatig worden verspreid tot 1 m uit de slootkant, waarbij de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen in stand worden gelaten;
de kaden tenminste 2 m uit de slootkant worden aangelegd en zowel eind juni als in november gemaaid worden; en
het perceel of de percelen, waarop het baggerdepot zich bevond, na ophogen, inklinken, verspreiden en egalisatie niet meer dan 10 cm hoger liggen dan het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen.
Het storten van takhout ten behoeve van takkenwallen en takkenrillen, mits:
de wallen en rillen worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand;
het gebruikte takhout afkomstig is van die nabije houtopstand;
daarmee aanwezige of potentiële natuurwaarden worden versterkt;
de wallen en rillen aan de voet maximaal 1 m breed zijn en een maximale hoogte van 1,50 m hebben ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld en geen stobben of boomstronken bevatten.
Het storten van grond en bagger, met inbegrip van blad, takken, stobben en boomstronken, ten behoeve van een takkenril, stobbewal en/of broeihoop met een maximale hoogte boven maaiveld van 1 m nabij een viaduct, ecoduct of faunapassage, dan wel de planmatige inrichting en ontwikkeling van natuurterreinen, of ecologische zones, onder verantwoordelijkheid van en met de gedocumenteerde instemming van de beheerder van het betrokken natuurterrein, dan wel de ecologische zone, mits:
de ecologische meerwaarde vanuit provinciaal en/of gemeentelijk beleid kan worden aangetoond;
het gestorte element onderdeel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit;
uitsluitend gebiedseigen materiaal wordt gebruikt.
Het storten van grond ten behoeve van een wal of grondlichaam in tuinen, parken, landgoederen, of sportaccommodaties, mits:
een aan de stortlocatie grenzend landschapstype daardoor niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit cultuurhistorische overwegingen, bepaald door beleidsdocumenten;
aanwezige bomen niet in het grondlichaam komen te staan;
de wal of het grondlichaam wordt ingeplant met een gebiedseigen beplantingsmengsel, en
de wal of het grondlichaam aan de voet maximaal 2 m breed is en een maximale hoogte heeft van 1m ten opzichte van het maaiveld.
HOOFDSTUK 5 › Paragraaf 5.3
Artikel 5.3.3