Deze verordening verstaat onder:
a ‘markt’:
de door het college ingestelde warenmarkt;
b ‘standplaats’:
de op (en voor de duur van) de markt door het bevoegde gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel;
c ‘vaste plaats’:
een standplaats, die voor onbepaalde tijd beschikbaar wordt gesteld;
d ‘dagplaats’:
een standplaats, die per marktdag beschikbaar wordt gesteld;
e ‘standplaatshouder’:
ieder aan wie door het bevoegde gezag een vergunning is toegekend om gedurende een markt een standplaats te bezetten;
f ‘frontbreedte van een standplaats’:
de lengte van de zijde van een standplaats met een ruimte van maximaal 3 strekkende meters diepte die aan een voor het publiek geprojecteerde gang is gelegen;
g ‘oppervlakte van een standplaats’:
de oppervlakte van een standplaats met een ruimte van meer dan 3 strekkende meters;
h ‘week’:
kalenderweek;
i ‘maand’:
kalendermaand;
j ‘kwartaal’:
kalenderkwartaal;
k ‘belastingjaar’:
het kalenderjaar (waarin de belastingplicht is ontstaan).
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van marktgeld 2017