Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 6

Voorzitter

Onderdeel van Verordening op de raadscommissie 2005

1.. De raad benoemt uit zijn midden een commissievoorzitter en plaatsvervangend commissievoorzitters van de raadscommissie. 2.. Het presidium wijst voor elke raadssessie uit de volgens lid 1 benoemde commissievoorzitter en plaatsvervangend commissievoorzitters een voorzitter aan. 3.. De voorzitter is belast met: het leiden van de raadssessie; het handhaven van de orde; het doen naleven van deze verordening en het bewaken van de vergadercultuur; hetgeen deze verordening hem verder opdraagt. 4.. De zittingsperiode van een commissievoorzitter of zijn plaatsvervangers eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad en indien zij niet meer voldoen aan de in artikel 4, derde lid, gestelde eisen. 5.. De raad kan de commissievoorzitter of zijn plaatsvervangers ontslaan. 6.. De commissievoorzitter en zijn plaatsvervangers kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 7.. Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat met betrekking tot de commissievoorzitter of zijn plaatsvervangers, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel