De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met
inachtneming van het bepaalde in artikel 11 door de
beheerder.
Tot de begraving of de bijzetting wordt niet overgegaan dan
nadat:
de beheerder, indien deze heeft geconstateerd dat aan de in de
artikels 16 en 17 opgenomen vereisten is voldaan, hiervoor
opdracht aan het personeel van de begraafplaats heeft
verleend;
alleen bij begraving van een stoffelijk overschot, het personeel
van de begraafplaats de identiteit van het stoffelijke overschot
heeft vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een
ander lijkomhulsel vermelde registratienummer met dat op een
bijgevoegd document dat tevens de namen, overlijdens- en
geboortedatum van de overledene, dan wel de geslachtsnaam van de
levenloosgeborene bevat.
Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van
as en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van
de hulpmiddelen, mag uitsluitend geschieden door het personeel
van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de
opzichter. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden op
aanwijzingen en onder toezicht van de opzichter geheel of
gedeeltelijk zelf verrichten, indien zij hun wens daartoe
uiterlijk vóór 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling
of schriftelijk aan de beheerder kenbaar hebben gemaakt. De
zaterdag en zondag gelden voor de toepassing van deze bepaling
niet als werkdag.
Hoofdstuk V
Artikel 16
Artikel 16
Onderdeel van de verordening op het beheer en gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen in de gemeente Soest