In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: houtachtige, overblijvende gewassen met een dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
dunning: velling, die uitsluitend als voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;
gemeentelijke boom: een boom welke op grond staat in eigendom van de gemeente;
hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
houtopstand: hakhout, een houtwal, heesters en struiken in een bosplantsoen of één of meer bomen;
knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;
monumentale boom: een boom die als zodanig is aangewezen op de door het college vastgestelde lijst;
waardevolle toekomstboom: een boom die als zodanig is aangewezen op de door het college vastgestelde lijst.
In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf
Artikel 4:10
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2017