Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning geweigerd:
indien de aangevraagde locatie en/of categorie niet als zodanig zijn aangewezen in het in artikel 5:20 bedoelde stippenplan, met uitzondering van de seizoensgebonden en maatschappelijke standplaatsen;
indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
indien de aanvrager niet in het bezit is van een uittreksel Kamer van Koophandel waaruit de ambulante handel blijkt en van een geldig legitimatiebewijs.
Een vergunning kan worden ingetrokken als de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor het gebruik van de standplaats voldoet.
Het college kan nadere regels stellen aan de standplaatsen.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf
Artikel 5:18
Standplaatsvergunning
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2017