Gedragingen van een belanghebbende die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren of waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 55 en 56a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
a. Gedragingen in de eerste categorie:
1. het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het financieel ontzorgen;
2. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.
b. Gedragingen in de tweede categorie:
1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, ondertekenen, uitvoeren en evalueren van het trajectplan met betrekking tot een re-integratie- of participatietraject;
2. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;
3. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;
4. het in onvoldoende mate meewerken aan een inburgeringstraject, voor zover het inburgeringstraject gelijkgesteld is met of onderdeel uitmaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de Participatiewet;
5. het niet verschijnen op een oproep gericht op arbeidsinschakeling, opleiding, scholing,sociale activering of zorg, afkomstig van het college of van een door het college ingeschakelde organisatie.
c. Gedragingen in de derde categorie:
1. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;
2. het niet naar vermogen onderzoeken van de mogelijkheid om enige vorm van onderwijs te volgen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 7.
Gedragingen Participatiewet
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ede 2017