Lid 1
Wanneer aan een ambtenaar de verplichting is opgelegd een dienstwoning te bewonen, wordt op zijn bezoldiging maandelijks een bedrag ingehouden gelijk aan 1/12 gedeelte van het jaarbedrag dat op grond van het tweede lid als huurwaarde voor die woning geldt.
Lid 2
De in het vorige lid bedoelde huurwaarde wordt vastgesteld door burgemeester en wethouders met inachtneming van ter zake algemeen geldende normen en rekening houdende met de inconveniënten welke voor de ambtenaar aan het bewonen van een dienstwoning zijn verbonden.
Lid 3
Bij veranderingen van de huurwaarde gaat de inhouding van het gewijzigde bedrag in, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de nieuwe huurwaarde ter kennis van de ambtenaar is gebracht.