Lid 1
Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toegepast:
schriftelijke berisping;
vermindering van vakantie met ten hoogste de helft van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;
niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomend met het salaris over een halve maand;
stilstand van periodieke verhoging van salaris voor ten hoogste vier jaren;
uitsluiting van bevordering voor ten hoogste vier jaren;
vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;
schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging.
Lid 2
De straffen genoemd in het eerste lid worden opgelegd door het college, met uitzondering van de straffen genoemd onder g. en h. en de straf genoemd in artikel 8:13 ten aanzien van de in artikel 2:1:1 genoemde ambtenaren, welke door de gemeenteraad worden opgelegd.
Lid 3
Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.