Verdubbeling duur verlaging
Als binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is, om ook het effect bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden te bereiken, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.
Herhaalde recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen
Is sprake van een derde of volgende schending van niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dan geldt als uitgangspunt dat de duur van de verlaging vastgesteld wordt op drie maanden. Richtlijn is dat ook bij recidive de verlaging geldt die van toepassing is op de verplichting die bij die recidive is geschonden. De duur wordt verhoogd, zoals ook bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. Zo bestaat er een richtlijn voor de duur van de maatregelen bij (herhaalde) recidive en blijft de hoogte van de verlaging in principe bij elke overtreding uit een categorie in principe gelijk.
Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting
Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen 12 maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende 2 maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges.
Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen 12 maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).
Hoofdstuk 7
Artikel 12