Aan de wet ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Dat betekent ook dat men volledig gebruik zal moeten maken van de bestaande voorliggende voorzieningen.
Hiermee wordt o.a. bedoeld WW, maar ook wanneer een jongere (jongeren dan 27) verwijtbaar met zijn studie stopt. Op grond van artikel 8 van deze verordening kan een maatregel worden
opgelegd wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand):
• het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;
• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening;
• het verwijtbaar stoppen met de studie
• of wanneer men het meer dan bescheiden vermogen op een onverantwoorde wijze inteert
• of wanneer iemand een erfenis verwerpt
• zonder gegronde redenen de werkzaamheden als ZZP er beëindigd
• zonder gegronde redenen de eigen onderneming opheft
Lid 2 en 3
Ook het op een onverantwoorde wijze interen op het meerdere dan het vrij te laten eigen vermogen kan er toe leiden dat men (langer) een beroep op bijstandsverlening zal moeten doen. Met onverantwoord interen bedoelen wij het per maand meer uitgeven dan ongeveer 1.5 x de bijstandsnorm die geldt voor de persoon. Dit geldt zeker in situaties waarin de cliënt kon verwachten dat hij, als het vermogen (bijna) op zou zijn, een beroep zou moeten doen op bijstandsverlening.
Voornoemde rekenmethode hanteert het college ook om vast te stellen over hoeveel maanden de cliënt geen bijstand nodig zou hebben gehad, als hij verantwoord met het geld om zou zijn gegaan. Voor iedere maand dat men daardoor een beroep doet op bijstandsverlening geldt een verlaging van 20%, met een maximum van 36 maanden.
Hoofdstuk 7
Artikel 8