Naar hoofdinhoud
1.. Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure, dan wordt, voordat besloten wordt de vergunning in te trekken, de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een zienswijze naar voren te brengen. De vergunninghouder kan binnen deze termijn zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren brengen. 2.. Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure dan wordt, voordat besloten wordt de vergunning in te trekken, het ontwerp van het te nemen besluit zes weken ter inzage gelegd. Zowel de vergunninghouder als anderen kunnen binnen deze termijn schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren brengen. 3.. Als hiervan binnen de daarvoor beschikbare termijn geen gebruik wordt gemaakt, zal zondermeer tot intrekking worden overgegaan. 4.. Als de vergunninghouder aannemelijk maakt dat hij alsnog binnen één jaar gebruik gaat maken van de vergunning, zal afgezien worden van intrekking van de vergunning. Mocht na afloop van die termijn blijken dat in dat jaar toch geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, dan wordt de procedure om de vergunning in te trekken vervolgd. 5.. Als de vergunninghouder de vergunning in stand wil houden, maar niet aannemelijk kan maken dat hij alsnog binnen één jaar gebruik gaat maken van de vergunning, dan zal een besluit worden genomen waarin de zienswijzen in de belangenafweging wordt meegenomen. Dat besluit zal worden voorgelegd aan het college en niet worden afgehandeld in mandaat.

Rechtspraak bij dit artikel