Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

– Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Onderdeel van Besluit Jeugdhulp Gemeente Hulst 2015

1.. Het college is er voor verantwoordelijk dat jeugdhulp ook beschikbaar is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, onverminderd de daarbij te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 2.. De huisarts, medisch specialist of huisarts kan vrijelijk doorverwijzen naar en gebruik maken van het vrij toegankelijk aanbod vanuit het CJG. 3.. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan voorafgaand aan een verwijzing naar een individuele of niet vrij toegankelijk voorziening in overleg treden met het team Jeugd en Gezin en/of het ondersteuningsteam als bedoeld in artikel 1 lid 8 en lid 9 van dit besluit voor afstemming en advies. 4.. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan de afhandeling van de hulpvraag desgewenst overdragen aan het CJG. In dat geval wordt de procedure gevolgd als beschreven in hoofdstuk 3 van dit besluit. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan bij het overdragen van de hulpvraag (met toestemming van de cliënt) tevens een verzoek doen om geïnformeerd te worden over de voortgang en/of afhandeling van de hulpvraag. 5.. Indien de huisarts, medisch specialist of jeugdarts een cliënt rechtstreeks doorverwijst naar een niet vrij toegankelijke voorziening, dan dient de arts of medisch specialist zich er van te vergewissen dat de betreffende jeugdhulpaanbieder een contract heeft voor de verlening van de gewenste jeugdhulp. Het college verstrekt daartoe een actueel overzicht van alle gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. 6.. De betreffende jeugdhulpaanbieder moet vervolgens – vóór aanvang van de hulpverlening – een verzoek tot opdracht indienen bij het college waarin de cliënt woonachtig is. Als de jeugdhulpaanbieder besluit te starten met de hulpverlening voordat er een opdracht door gemeente is verstrekt, dan is dit voor eigen kosten en risico van de jeugdhulpaanbieder. 7.. Indien de cliënt dit wenst (of wanneer het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de verwijzer of jeugdhulpaanbieder), dan legt het college de te verlenen individuele voorziening (dan wel het afwijzen daarvan) tevens vast in een beschikking. 8.. In het verzoek tot opdracht als bedoeld in lid 6 dient in ieder geval te worden vermeld: het burgerservicenummer (BSN) van de cliënt (of cliënten, indien het om de groepsbehandeling gaat); welke de te verstrekken voorziening is; wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum is; wat de beoogde duur van de hulpverlening is; wat de omvang van de hulpverlening is, zowel in tijd als geld. Tevens moet de verwijsbrief van de verwijzend arts of medisch specialist bij het verzoek tot opdracht worden gevoegd. 9.. Indien na ontvangst van een verzoek tot opdracht blijkt dat er ten behoeve van de betreffende cliënt en/of zijn sociale omgeving al een ondersteuningsplan in werking is, dan wordt er door de verantwoordelijk medewerker van het team Jeugd en Gezin eerst contact opgenomen met de cliënt en de verwijzer om te beoordelen of bijstelling van het bestaande ondersteuningsplan nodig is, voordat de opdracht wordt verstrekt. 10.. Ook indien er vragen zijn over de effectiviteit en/of de omvang van de gevraagde voorziening, dan neemt een medewerker van het ondersteuningteam of het team Jeugd en Gezin contact op met de verwijzer en/of jeugdhulpaanbieder alvorens tot opdrachtverlening over te gaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel