Op grond van het overgangsrecht §6 van hoofdstuk 3 CAR blijft het in dit artikel bepaalde van kracht voor afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan.
Aan de ambtenaar van wie het salaris en de salaristoelagen blijvend zijn verminderd als gevolg van buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, anders dan een onkostenvergoeding, kan door burgemeester en wethouders een afbouwtoelage toegeeknd worden.
Minimale voorwaarden voor deze toekenning zijn, dat de in de vorige volzin bedoelde verlaging tenminste 3% van de bezoldiging bedraagt, en dat de ambtenaar op het moment van de beëindiging, respectievelijk de verlaging van de toelage, deze gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De berekeningsbasis voor de afbouwtoelage is het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de datum, waarop de blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan deze toelage heeft genoten, verminderd met het bedrag, dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan deze toelage en aan verhogingen van de bezoldiging, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen.
De afbouwtoelage heeft een duur gelijk aan één vierde gedeelte van de periode waarover de toelage is genoten, met een maximum van drie jaar.
De volgens het derde lid vastgestelde duur van de afbouwtoelage wordt in drie gelijke delen gesplitst; de afbouwtoelage bedraagt gedurende de drie betreffende deelperioden achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de in het derde lid genoemde berekeningsbasis.
Indien aan de in lid 1 bedoelde ambtenaar vóór het eind van de periode waarover de afbouwtoelage is toegekend eervol ontslag niet op eigen verzoek wordt verleend,anders dan in verband met een disciplinaire maatregel of andere aan de ambtenaar verwijtbare gedragingen, wordt het restant van de afbouwtoelage, waar hij nog recht op heeft uitgekeerd. In overleg met de betrokken ambtenaar wordt bepaald op welke wijze.
Artikel 3.5