De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar kan een voorlopige aanslag opleggen, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.
De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan:
voor de leges geschieden op grond van de door de belastingplichtige ingevulde aanvraag om omgevingsvergunning;
voor de vermakelijkhedenretributie geschieden op grond van het door de belastingplichtige ingevulde en door zijn/haar accountant gewaarmerkte aangiftebiljet vermakelijkhedenretributie of bij het ontbreken van het aangiftebiljet, de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over, dan wel met betrekking tot het meest recente tijdvak of kalenderjaar;
voor de rioolheffing op geloosd grondwater geschieden op grond van het meest recente aangiftebiljet dat belastingplichtige heeft ingeleverd ter zake van het lozen van grondwater;
met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag, waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag.
Artikel 4
Voorlopige aanslag
Onderdeel van Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Hellendoorn 2017