Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Bomenverordening

In deze verordening wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm. doorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal of een meidoorn; hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd. De dunning moet voorts gericht zijn op een hogere stabiliteit en kwaliteitsverbetering van de houtopstand. In deze verordening wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. In deze verordening kan voor "hij" ook "zij" gelezen worden.

Rechtspraak bij dit artikel