De vergunningen en ontheffingen die verleend zijn krachtens de in het vorige artikel, tweede lid, genoemde verordening, blijven van kracht tot de tijd waarvoor zij verleend werden verstreken is, of totdat zij worden ingetrokken.
De intrekking van de verordening, bedoeld in het vorige artikel, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.