In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onderdelen a tot en met e van de wet is de subsidieontvanger aan de gemeente een vergoeding van de vermogenswaarden verschuldigd. Vaststelling van dit bedrag geschiedt door het college.
De hoogte van de vergoeding bedraagt 25% en wordt vermeld in de beschikking tot subsidieverlening of –vaststelling.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.
Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige. De kosten van de inschakeling van de deskundige zijn voor rekening van de subsidieontvanger.