**1..** Dit uitvoeringsbesluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.
**2..** Dit uitvoeringsbesluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit Boetes Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2017 e.v.
Aldus beslotendoor burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht in de collegevergadering van 4 april 2017.
de secretaris,
P.J. Buijtels
de burgemeester,
J.M. Penn-te Strake
TOELICHTING
Algemene toelichting
Net als onder de Wet werk en bijstand c.a. geldt ook onder de Participatiewet dat bij schending van de inlichtingenplicht in de regel een boete moet worden opgelegd.
Een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hebben ertoe geleid dat het strikte boeteregime van de Fraudewet aanzienlijk is gematigd. In de gewijzigde Fraudewet en het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt op die ontwikkeling ingespeeld. Zo moet bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid (opzet, grove schuld, normale of verminderde verwijtbaarheid) en mag de boete nooit hoger zijn dan de in het Wetboek van Strafrecht vermelde maximale bedragen. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor het geven van een waarschuwing verruimd. Ook bij kleine boetes (niet hoger dan € 150) kan een waarschuwing worden gegeven. In dit uitvoeringsbesluit wordt hieromtrent een aantal beleidsregels vastgelegd.
Verder volgt specifiek uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 dat de boete ook moet worden afgestemd op de financiële draagkracht van belanghebbende ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Het college kan rondom het bepalen van die draagkracht nog nader beleid formuleren. In dit uitvoeringsbesluit wordt daar invulling aan gegeven.
Overigens blijft gelden dat wanneer de gedraging de belanghebbende in het geheel niet is aan te rekenen, dat dan géén boete kan worden opgelegd (art. 5:41 Algemene wet bestuursrecht).
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2 Waarschuwing bij geen benadelingsbedrag, bij een benadelingsbedrag < € 150 of bij zelfmelding
Lid 1.
In lid 1 wordt duidelijk gemaakt dat het college in de in dit lid geschetste situaties consequent gebruik maakt van de wettelijke bevoegdheid af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete en te volstaan met een waarschuwing. De situatie waarin sprake is van recidive binnen twee jaar vormt daarop een uitzondering.
In geval een overtreding van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijk waarschuwing, geeft het Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt dat een boete wordt vastgesteld van € 150. Dit uitgangspunt wordt echter niet gevolgd. Een boete van € 150 wordt geacht niet evenredig te zijn wanneer geen benadelingsbedrag speelt. De boete bedraagt dan maximaal € 100. En afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid kan deze worden verlaagd tot minimaal € 25. Deze forfaitaire boete van € 100 of minder geldt overigens ook wanneer het benadelingsbedrag € 100 of lager is. Wederom afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid.
Wanneer sprake is van een benadelingsbedrag hoger dan € 100, maar niet hoger dan € 150, dan volgt een boete gelijk aan het benadelingsbedrag. Afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, kan de boete uiteraard weer naar beneden worden bijgesteld.
Artikel 4 Afstemming boete op inkomen
Overeenkomstig de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 wordt voor het afstemmen van de hoogte van de boete op het inkomen van belanghebbende uitgegaan van een zogenoemde fictieve draagkracht. De vaststelling van de hoogte van de boete moet worden onderscheiden van het feitelijke invorderen van de boete. Ten aanzien van die invordering gelden de regels omtrent de beslagvrije voet. Het wordt geacht niet evenredig te zijn wanneer de hoogte van de boete volledig zou worden bepaald aan de hand van de daadwerkelijke aflossingscapaciteit in plaats van aan de hand van de verwijtbaarheid.
Bij recidive geldt dezelfde bepaling van de draagkracht. Het is immers onjuist om te redeneren dat die draagkracht groter wordt wanneer sprake is van recidive. Recidive heeft immers ook geen invloed op de maximale boetebedragen.
Artikel 5 Vermogen
Voor het bepalen van de fictieve draagkracht als bedoeld in artikel 4 wordt het vermogen van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Vermogen blijft natuurlijk wel volop een rol spelen bij het invorderen van de boete.
Artikel 6
Inwerkingtreding en citeertitel
Onderdeel van Uitvoeringsbesluit Boetes Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2017 e.v.