Naar hoofdinhoud
1.. De leden en de voorzitter van de Adviesraad S.D. en/of de sub-raad kunnen door het college op hun verzoek worden ontslagen. 2.. Een lid van de Adviesraad S.D. en/of sub-raad of de voorzitter kan door het college worden ontslagen op voordracht van de Adviesraad S.D. en dat dat lid of de voorzitter door het college is gehoord, indien hij/zij: handelt in strijd met het gestelde in deze verordening; handelt in strijd met besluiten en afspraken van de Adviesraad; herhaaldelijk zonder goede reden verzuimt aan de vergaderingen van de Adviesraad S.D. of een commissie of werkgroep daaruit deel te nemen; de vergaderorde herhaaldelijk verstoort. 3.. Over besluiten omtrent voordracht als bedoeld in het tweede lid, beslist de Adviesraad S.D. door schriftelijke stemming nadat het betreffende lid in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken. Voor een besluit tot een voordracht voor ontslag is een 2/3 meerderheid van het aantal aanwezige leden noodzakelijk, waarbij tenminste de helft van het aantal zittende leden aanwezig moet zijn. 4.. De Adviesraad S.D. kan bij het besluit omtrent de voordracht tot ontslag besluiten een lid voor maximaal drie maanden te schorsen. 5.. De Adviesraad S.D. kan besluiten een lid, ten aanzien van wie een voordracht als bedoeld in het tweede lid wordt overwogen, de toegang tot de betreffende vergadering te ontnemen.

Rechtspraak bij dit artikel